2009-Mar-16 - Een zwaar tussendoortje, dat losstaat van het verhaal. Het heet Insomnia
Mijn dromen verstikken me.
Freud zei dat dromen je onderbewuste weergaven.
Ha!
Die Freud.
Volgens mij worden ze gewoon ingefluisterd door monstertjes
Ik word er waanzinnig van.
Ze fluisteren en ze fluisteren, tot ze me hebben kapotgemaakt.
Tot ik ga denken dat het fluisteren de waarheid is.
Tot het enige waar ik voor leef, het gefluister is.
Ze fluisteren dat ik diep, diep van binnen psychopathisch ben.
Ik hoor hoe ze me gek maken, ik weet dat ik ze moet negeren, maar er is altijd nog die stem in mijn achterhoofd, die zegt: ‘Denk aan Freud. Dromen zijn je onderbewuste. Wat je droomt ben je zelf.’
Was ik maar een idioot.
Was ik maar een zwakzinnige.
Dan wist ik dat niet, van Freud.
Dan lachte ik om de stemmen.
Ik zou mijn dromen zien als films, horrorfilms, dat wel, maar het zou toch een stuk draaglijker zijn.
De laatste nachten heb ik niet geslapen.
Telkens als ik mijn hoofd neerlegde, de smaak van zoete slaap bijna proefde, hoorde ik ze al, in de verte.
De stemmen.
Dan schrok ik zo heftig, dat ik rechtop ging zitten, en trillend wachtte tot de ochtend kwam.
En als die ochtend dan kwam, leefde ik in halfslaap, zag de wereld met halfopen ogen en liet me continu bijna verleiden tot het even neerleggen van mijn hoofd.
Even maar.
Al is het maar een minuut.
Dan begint het weer te zoemen.
Het begint weer te kraken.
Het begint weer te fluisteren.
Ik ben er klaar mee.
Vannacht moet ik slapen.
Vannacht moeten ze zwijgen, de monstertjes.
Vannacht wil ik geen pedofiel zijn.
Geen moordenaar.
Geen sadist.
Maar dat is niet het ergste.
Het doet pijn, maar het is niet het ergste.
Het ergste is dat jij niet bestaat in mijn dromen.
Elke avond hoop ik dat ik eindelijk eens van jou droom.
Het enige dat ik wil, is dat je je hoofd om de hoek van de deur steekt.
Dat die deur dan aan de rand van een kamer vol met lijken staat, maakt me niet uit.
Ik hoef alleen jouw gezicht te zien.
Of je stem, heel even je stem die me roept.
Dat is alles.
En elke keer voel ik me een verrader, als de monstertjes me een vrouw toebedelen.
Elke keer als ik van haar geniet, weet ik dat mijn onderbewuste jou bedriegt.
Ze krijgen me niet.
Ze kunnen fluisteren wat ze willen, maar ze krijgen me niet.
Als ze vannacht weer fluisteren, als ze fluisteren dat de echte ik om te janken zo gewetenloos is, om te schreeuwen zo naar, om te sterven zo lelijk van binnen,
dat de echte ik jou niet bemint,
niet echt, niet oprecht,
als ze dat weer fluisteren, dan komt er helemaal geen volgende nacht.
Dan maak ik er een eind aan.
Misschien word ik dan zelf een van die wezentjes.
Als dat zo is, dan zal ik tegen je fluisteren.
Ik zal fluisteren tot je gek wordt.
Tot je kapot gaat.
Tot je zo moe bent van het vechten tegen de slaap, dat er nog maar één ding is waar je naar verlangt.
De dood.
En als die intreedt, dan zijn we samen.
Dan eindelijk samen.
Zonder monstertjes tussen ons in.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2009-Jan-16 - Nummer Zestien van de serie. Wat kort, maar dat doet er niet toe.
Ik ben wakker. Vandaag moet ik naar Bergen op Zoom. Als ik beneden kom, zie ik dat Peppie op de bank ligt. Zijn neus drukt tegen een kussen van mijn bank, en de kat ligt op zijn rug. Hij snurkt. Ik sluip langs hem heen naar de keuken en schenk een glas wodka in. Het is half negen ’s morgens. Peppie snurkt nog steeds. Ik loop met de wodka naar de kamer en hurk neer, voor Peppie. Er loopt een straaltje kwijl uit zijn mond. Zijn hoofd hangt half over de rand van de bank. Ik houd de wodka onder zijn mond en Peppie merkt dat. Zonder na te denken pakt hij het glas en neemt een slok. Dan maakt hij een spastische beweging, waardoor De Kat van zijn rug afspringt en spuugt hij de wodka uit. De vloeistof belandt op een boek dat op tafel ligt. Komt een vrouw bij de dokter, van Kluun. Toch een kutboek. Zeker voor een pretentieus literair schrijver als ik. Ik moet van mijn uitgever zeggen dat Komt een vrouw bij de dokter een kutboek is. Ik vind het vooral kinderachtig, maar ja, als mijn uitgever wil dat ik het kut vind, vind ik het kut. Geen probleem.
‘Vond je dat grappig, Ei?’ vraagt Peppie met een krakerige ochtendstem. Hij steekt een sigaret op. Ik pak de sigaret af, en maak hem uit. Op het boek van Kluun. Peppie’s boek.
‘Vond je dat grappig, Ei?’ vraagt Peppie. Met zijn ochtendstem.
‘Goeiemorgen, Peppie! Wat wil je? Brood? Ik dacht trouwens dat je niet rookte.’
‘Blijkbaar niet nee.’
Hij kijkt op de klok: ‘Ei, waarom zo vroeg?’
‘Omdat normale mensen werken, Peppie.’
‘Had dat dan gezegd! Ik ga meteen een baan zoeken. Bak je een ei voor me?’
Peppie heeft rijke ouders. En hij is lui. Dus werkt hij niet.
Ik bak een ei voor Peppie. Zelf moet ik afvallen, dus ik neem een boterham met kaas. En ham. En mayonaise en sla en tomaat. En daar doe ik nog een boterham bovenop. We ontbijten.
Als Peppie weg is en mijn ochtendritueel achter de rug is, heb ik nog twee minuten om uit huis te komen. Zo’n groot huis heb ik nu ook weer niet, dus dat is geen probleem. Mijn trein rijdt op tijd. Ik reis eersteklas, omdat dat kan, en ga schrijven. Ik begin waar ik de vorige keer geëindigd was, met een zin die in mijn hoofd zat toen ik wakker werd.
‘David verlangde zo hevig naar een seksuele relatie met die vrouw, dat zijn broek al vol kledder zat voordat hij haar de hand goed en wel geschud had.’
Ik had me zo verheugd op het moment dat ik de zin zou opschrijven. Ik wist zeker dat die zin het boek compleet zou maken en dat het vanaf dat punt alleen nog maar invullen was. Nu ik hem daar lees, in de context van mijn verhaal, zie ik dat de zin strontlelijk is. De rest van mijn boek is sereen, deze zin is vulgair. De rest van mijn boek gaat over liefde, deze over seks. Vreemd, dat je je zo erg op iets kan verheugen en dat het dan zo tegenvalt. Ik verheug me op mijn eerstvolgende ontmoeting met Eva.
De bibliotheek van Bergen op Zoom zit in een kasteel. Of stadsmuur. In ieder geval een oud gebouw. Deze bibliotheekdame is aanzienlijk leuker dan die in Mijdrecht. Ik ben echter volledig monogaam, dus bij het zien van deze jongedame komen geen verkeerde gedachten in mij op. Behalve dan wanneer ze naar me lacht. Het valt me op dat de dames van bibliotheken steeds minder vaak oud zijn. Dat komt natuurlijk omdat de oude langzaam creperen en dementeren en de bibliotheek daardoor niet meer kunnen beheren. Ik geef een lezing. Dat gaat goed. Ze klappen, de mannen ook. Op de terugweg bel ik Appel in de trein. Hij is thuis, wil alleen dat ik niet zo lang blijf. Hij verwacht bezoek.
‘Ik ben ook bezoek, lieve Appel.’ werp ik tegen.
Dan herhaalt hij het woordje bezoek en aan zijn toon merk ik dat hij met zijn wijsvinger de wal onder zijn ogen naar beneden trekt om mij duidelijk te maken wat voor soort bezoek hij verwacht. Ik knik. Dat ziet Appel natuurlijk niet, omdat we telefoneren, maar hij begrijpt wat ik bedoel. Dat ik begrijp wat hij bedoelt. Ik hang op, want een vrouw kijkt versoord naar mijn telefoneersessie. Ze draagt een broekrok.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2009-Jan-11 - Na tijden weer een verse.En wat voor één!
Een substantieel deel van mijn boek dus. Pas wanneer ik de cursor zie knipperen op de felle witte achtergrond van mijn computerscherm, besef ik dat hersenen niet werken als het lichaam waarin ze zich bevinden de avond ervoor te veel alcohol heeft binnengekregen. Ik begin een mietje te worden, want die paar whisky’tjes hebben geen invloed op een echte vent. Een echte vent staat de volgende ochtend vrolijk op om de koeien te gaan melken. Een echte vent bakt ’s morgens vroeg een biefstuk en eet die als ontbijt. Dan is het wel over met die mieterige kater. Ik heb geen biefstuk. De cursor knippert nog steeds en ik voel dat het geen substantieel gedeelte gaat worden, vandaag. Ik loop, strompel de trap af en eenmaal beneden word ik geroepen door mijn bank.
‘Kom bij me.’ zegt hij. Hij is als een oude, lelijke prostituee waar een hoerenloper steeds weer heengaat omdat ze zo lekker zacht is. Hij weet dat het verkeerd is en dat zijn vrouw het niet op prijs zal stellen, maar toch gaat hij telkens weer. Met die gedachte in mijn hoofd ga ik op de bank liggen, maar De Kat verhindert dat ik in slaap val, omdat hij mijn gezicht begint te likken. Er ligt iets op mijn borst. De Kat waardeert me blijkbaar, want hij heeft een verse muis op mijn borst gelegd. Ik pak hem, de muis, op aan zijn staart en slinger hem de kamer in. Dan sla ik hem, De Kat, op zijn lijf, zodat hij van me afgaat. Het is elf uur en ik heb twee ongelezen berichten op mijn mobiele telefoon.
***
Als iemand me zou vragen hoeveel ogen een spin heeft, zou ik antwoorden dat dat er vast acht zijn. Eén voor elke poot. Dat geeft aan dat mijn logisch denkvermogen, net als mijn ruimtelijk inzicht, zeer beperkt is. Ik was op school dan ook een echte alfaleerling en iedereen die lelijk was en natuurkunde doorgrondde, zei altijd dat mijn vakkenpakket een pretpakket was. Toen ik slaagde zonder onvoldoendes en met negens voor Nederlands, Engels en een kunstvak waarvan ik de afkorting ben vergeten, keken de lelijke natuurkundigen me geringschattend aan. Hun ogen zeiden: ‘Ja, mannetje, daar sta je dan met je mooie eindlijst. Maar wat heb je er later aan? Niets, meneer. Jij zult een hippie worden, en eindigen onder een brug met een spuit in je arm. Had je maar geen pretpakket moeten kiezen.’
Als ik De Kat voer, vraag ik me af hoe ik in godsnaam bij die gedachte ben gekomen. Vanavond eet ik Chinees. Peppie heeft me een sms gestuurd, of ik bij hem kom eten. Sik heeft me een sms gestuurd, of ik bij hem kom drinken. Ik stuur Peppie en Sik een sms, of ze bij me komen eten en drinken. Ze komen. Een spin heeft zes of acht ogen, lees ik in mijn encyclopedie.
***
Over één ding zijn we het eens: vrouwen moeten jurkjes of rokjes dragen. En als het te koud is? Dan ook. Want dan zie je hoe ze staan te kleumen, zich in hun handen blazen en hun benen langs elkaar wrijven. ‘Mannen schijnen het leuk te vinden om vrouwen te zien lijden’ zeg ik. ‘Daarom houden we ook van hakken. Als vrouwen hakken dragen, moeten ze moeite doen om normaal te lopen. Werkt erg erotisch.’
Peppie eet de bami als een Afrikaanse inboorling die nog nooit deegslierten heeft gezien, maar zijn dagen vult met het jagen op dieren (wat altijd mislukt) en het vervolgens maken van vieze, koude pap, waarmee hij zijn gezin moet onderhouden. Sik zegt dat zijn Pekingeend koud is en ik haal een biertje voor hem. Als ik teruggekomen ben, valt er een stilte. Ik moet het nu zeggen, vind ik. Nog één slokje bier dan, om moed te kweken. Ik merk dat ik écht verliefd ben, want wanneer ik mijn ervaring aan Sik en Peppie wil vertellen, want mijn hand begint te trillen. Peppie ziet het. Hij zegt dat mijn alcoholisme ernstige vormen heeft aangenomen en dat hij overweegt me op te laten nemen in de Jellinek. Ik zeg dat de liefde sterker is dan iedere drug. Peppie en Sik schelden me collectief voor homo uit.
‘Ik heb gezoend. Hier. Op de bank. Met Eva. Die ik op straat tegenkwam en waarvan jullie dachten dat het niets werd.’
Stilte. Ik wordt gefeliciteerd. Mijn hart klopt nu erg snel. Volgens mij betekent dat dat mijn liefde serieuze vormen begint aan te nemen.
‘En toch is de bami van de andere Chinees lekkerder.’ Zegt Peppie.
‘Zeur niet. Je hebt toch bier?’ zegt Sik.
‘Ze is prachtig.’ Zeg ik tegen niemand in het bijzonder. Sik knijpt me in mijn wang zoals tante’s hun neefjes knijpen. Neefjes die daar dan net iets te oud voor zijn en zich rotschamen voor hun tante. Die tante is dan bij voorkeur dik en heeft geen enkel gevoel voor mondhygiëne. Zo kneep-ie me, Sik.
‘Je bent echt verliefd, pik.’ Zegt-ie.
Peppie lacht en zegt dat er muziek op moet. En dat hij champagne wil om mijn liefde te vieren.
‘Je overdrijft.’ Zeg ik.
‘Hoezo prachtig dan?’ vraagt Sik.
‘Gewoon prachtig. Ze heeft iets wat niemand heeft. Een soort ongelooflijk mooie ogen.’
‘Heeft ze tieten? Die vorige chick van je had geen tieten. Dat was jammer. Wel aardig hoor, maar ja, die tieten hè.’ Dat was Peppie.
‘Ik geloof dat ik wel twee borsten heb bespeurd ja.’
‘Oh, hij is echt verliefd. Hij noemt het borsten. Dat doen ze alleen als ze het echt te pakken hebben. Scharrels hebben tieten, liefdes borsten.’
‘Hee, maar wat wil je voor muziek horen? Iets van Celine Dion. Of, kom hoe heet die lul, Helmut Lotti.’ Zegt Sik.
Peppie begint te lachen.
‘Is het je ooit opgevallen dat ik nooit kutmuziek draai, lieve Sik?’
‘Blijkbaar niet.’
‘Inderdaad blijkbaar niet.’ Antwoord ik Sik.
Peppie onttrekt zich van dit gesprek en zit al voor de kast een cd uit te zoeken. Als hij Jacques Brel zou uitkiezen, zou dat een bewijs zijn dat God bestaat. Dat hij toestemming geeft voor deze prille liefde. Peppie kiest een verzamel-cd waarop ik ‘Nummers voor als je dronken bent’ heb geschreven. Hazes opent glansrijk met zijn vlieger. We blèren mee.
‘Nodig ‘r uit.’ Zegt Peppie. Hij gaat vanavond niet terug naar huis. Dat zie ik aan zijn ogen. Sik reageert enthousiast en scheldt op De Kat, die zich ongevraagd op Siks schoot ophoudt. Fuck, denk ik. Ik denk normaal nooit Fuck, maar nu dacht ik echt Fuck. Geen drommels. Dit was een typisch geval van Fuck. Neuk, om het in het Nederlands te zeggen, maar de vertaling neemt de agressie van het woord weg, dus ik houd het op Fuck. Ik heb haar telefoonnummer helemaal niet. Geen adres. Als zij geen initiatief neemt, ben ik haar kwijt. Ik schaam me tegenover mijn twee enthousiaste vrienden dat ik haar niet kan bellen. Ik heb geen foto. Ik heb geen achternaam. En ze heeft een vriendje. Ze heeft godverdegodver een vriendje. Waarschijnlijk ligt ze nu met hem in bed. Ik loop naar de keuken, wordt nageroepen door Peppie, die zegt: ‘Nodig ‘r uit dan, pikkemoos.’
‘Je klinkt als Danny de Munk, met je gepikkemoos.’ Ik ben gepikeerd.
‘Hij heeft haar nummer niet.’ Hoor ik Sik tegen Peppie zeggen. Peppie lacht.
‘Je bent nooit een praktisch type geweest, Ei. Altijd eerst het nummer vragen. Ik heb alle nummers nog.’
‘Voor jou is dat makkelijk, je kijkt gewoon in de gouden gids onder ‘Prostituees’ en daar staat iedereen waar je het ooit mee hebt gedaan op alfabetische volgorde.’
Sik ziet de humor er van in, Peppie imiteert een agrariër wiens gebit niet geheel naar behoren functioneert. Na een tijdje komt hij met een antwoord.
‘Hoeren staan niet in de gouden gids, dat weet je best.’
Niet zo’n leuke grap als de mijne, maar we wrijven het er niet in. De arme jongen heeft al genoeg te lijden gehad. We pesten hem vaak met zijn zwaarlijvigheid. Volgens zijn BMI schommelt hij tussen nét slank genoeg en nét te dik.
‘Gaan we nog uit?’ vraagt Sik.
‘Weet jij wat voor dag het is?’ zegt Peppie.
‘Nee.’ Zeg ik.
‘Ik ook niet.’ Zegt Peppie.
Sik knikt afwijzend, maar bevestigt dat het geen uitgaansdag is. We kijken een film. Peppie blijft slapen. Sik moet morgen werken. Ik dirigeer Sik naar buiten en Peppie naar de bank. Liefdevol werp ik een deken op hem en zeg ik: ‘Slapen. Niet stiekem drinken.’
Ik ga naar bed. De gedachte van Eva die zich tegen haar vriend aanvlijt krijg ik niet uit mijn hoofd.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2008-Jun-26 - Kip en het ei XIV (Extra-überlange aflevering als compensatie voor wekenlang geen verse aflevering)
Er klopt niets van de droom, want mijn oma kon niet breien en ik wist tot drie jaar geleden niet dat mijn broertje homo is. Mijn tenen liggen bloot, jubelend temidden van stofdeeltjes. Ik stap uit bed, zie op de wekker dat ik moet opschieten om op tijd in Mijdrecht aan te komen. Dus dat doe ik. Opschieten. Ik douche, dwing mezelf niet te versmelten met het water, en kom onder het stortbad vandaan. Ik poets mijn tanden, probeer mijn lippen niet te bekladden met tandpasta. De lippen die de hare raakten en een tinteling, nee, een siddering door mijn lijf lieten gaan. Als ik, nadat ik me heb aangekleed, beneden kom, herinnert mijn huisgenoot me aan het enige waar hij om geeft. Eten. Ik voer hem, bedenk me dat het heerlijk moet zijn om maar één hartenwens te hebben, een hartenwens die dagelijks wordt vervuld (of bijna dagelijks, soms eet De Kat een dag niet). Omdat ik de illusie heb dat mijn achterdeur scherp in de gaten wordt gehouden door veertien Bulgaarse inbrekers (mogelijk zit er ook een Roemeen bij), doe ik mijn achterdeur op slot en fiets ik weg. Ik sluit, al fietsend, mijn ogen, denk aan gisteren. Alsof de wind haar handen zijn, alsof zij het is die door mijn haren krioelt met haar handen. Zij, die nu wakker wordt naast de gelukkigste man ter wereld, zelfs als zijn moeder op jonge leeftijd is gestorven en hij nooit liefde heeft gekregen van zijn peetouders- zijn vader was onbekend bij de familie- wordt dat ongeluk nog gecompenseerd door het feit dat hij dagelijks intiem met haar kan zijn. Een auto toetert, mijn ogen moeten open, anders heb ik een probleem. Ik fiets midden op de weg, de zojuist toeterende automobilist moet me ontwijken en mist ternauwernood een paaltje. Het is niet ver meer.
In de trein schrijf ik. Ik wil over haar schrijven, maar het lukt niet. Mijn rijke fantasie beklemt mijn vermogen om de werkelijkheid te beschrijven, de zuivere pure, naar lipgloss met jenever smakende waarheid. Dan maar lezen. Het boek is als de derde sekspartij binnen twee uur, het hoogtepunt komt niet (ik spreek niet uit ervaring). De man die ook in de coupé zit kijkt niet slinks naar me, maar schaamteloos. Hij kan me overduidelijk wél thuisbrengen, want sms’t onmiddellijk naar iemand dat hij met mij in een coupé zit. De glinstering in zijn ogen verraad dat het tekstbericht niet over de piepers, maar over mij gaat. De man leest glimmend van genot mijn eerste boekje (Liever Lieve), in de hoop dat ik naar hem toe kom om een praatje te maken en hem complimenteer met zijn boekkeuze.
‘Wat toevallig dat ik net in dát boek bezig was, toen Meinoud Vredeling bij mij in de coupé zat!’ zal hij vanavond bij het avondeten tegen zijn vrouw zeggen, die bevestigend zal antwoorden. De hele avond zal het stel televisiekijken, heel af en toe met elkaar praten. De man zal de volgende dag op zijn werk schuddebuikend de hilarische anekdote omtrent het boek vertellen. Zijn collega’s zullen een beleefdheidslachje uiten en verdergaan met het werk.
Ik loop niet naar de man toe, maak geen praatje. Verlang naar de tijden dat er nog een voedselkarretje langskwam in de trein, want smak naar een Mars of een andersoortige chocoladebevattende met plastic omhulde hartaanvalstimulator. Vanuit mijn ooghoek zie ik de man met het boekje wapperen. Waarom dragen mensen snorren? En brillen uit de tijd dat snorren in de mode waren? Nu snap ik waarom de man zo weinig met zijn vrouw praat, zij wil al jaren dat hij zijn snor scheert en lenzen neemt en hij weigert dat pertinent. De waarheid is gemakkelijk in te vullen. Ik schuif het raampje open, we zijn er bijna.
De bibliotheekdame blijkt vijftig jaar jonger dan ik verwacht had, maar erotisch getinte gedachten spoken niet door mijn hoofd, ik zou mij een vreemdgaande viespeuk voelen als ik het goedkoopste hotel van Mijdrecht zou boeken en het met haar zou doen. De lezing gaat goed. Ouderwets applaus, zonder gegil. Als ik het bosje bloemen van de bibliotheekbimbo in ontvangst neem, knipoogt ze naar me, maar ik heb al iemand op het oog, dus ga niet op haar versierpoging in. Bovendien draagt ze een lelijk mantelpak in plaats van een dieprode jurk met lange handschoenen. Haar parfum is voorspelbaar, de lijfgeur van duizenden vrouwen die maar kopen wat het duurst is, om exclusief te willen ruiken. Zonde van het geld, dat geld had ze beter kunnen besteden aan een mooier boeket. Als ik een beetje doorloop haal ik de eerstvolgende trein nog. Anders eet ik een hamburger vlakbij het station, omdat mijn honger naar slecht voedsel nog niet gestild is (vanmiddag voor de lezing een broodje gezond gehad, met veel te weinig mayonaise). Ik haal de trein, bak thuis wel een ei en vind het fijn dat er niemand bij me in de coupé zit. Volgende week ben ik jarig.
Als je niet het grootste pitje van het fornuis gebruikt, duurt het ontzettend lang voor het ei klaar is. Dat wist zelfs mijn moeder. Mijn horloge vertelt me dat de vijf al lang en hoog en breed en diep in de klok zit, dus het is tijd voor mijn vriend Bier (hoewel normaal alleen alcoholisten dat soort zinnen formuleren). Ik vertel De Kat op kalme toon dat hij moet ophouden zijn haren aan mijn been af te vegen, omdat hij al gegeten heeft.
‘Verse tonijn, dus stop met zeuren.’ (dezelfde kalme toon, geen spoortje agitatie).
Hij begrijpt het en gaat naar buiten, vogeltjes vangen.
Laat ik mijn verjaardag eens plannen. Ik neem een slokje bier, hapje ei, pen, papier. Maak een ouderwetse lijst: ’s Middags familie, ’s avonds familie (maar dan alleen familie die nog geen leesbril hoeft) en vrienden. En buurbuddy (sorry, die term heb ik niet verzonnen) Ruud, want ik mocht ook op Ruuds verjaardag komen. Het was gezellig op Ruuds verjaardag en makkelijk, omdat ik niet meer uren op de fiets hoefde te zitten om thuis te komen, maar zelfs eventueel door het gat in de heg kon kruipen om naar huis kon gaan (wat ik dan ook heb gedaan). Als ik Karels naam opschrijf bekruipt me een melancholisch ouwelullengevoel.
‘Wat heb ik toch met die knaap beleefd! Schavuiten dat we waren! Vlegels.’
Inhoudelijk klopt de zin met mijn nostalgische gevoel, stilistisch past hij meer bij leesbrildragende oude mensen die terugkijken op vriendschappen uit tijden waarin langspeelplaten hypermodern waren. Ik zie in mijn portemonnee dat ik Karels foto nog steeds heb. Hij is genomen toen we zonder geld op vakantie wilden naar een ver warm oord. We kwamen uiteindelijk tot de grens van Frankrijk met Zwitserland. Vakwerkhuisjes, hadden we een hekel aan. Vroeger noemde iedereen Karel bij de achternaam van zijn schilderende voornaamgenoot, Appel. En mij natuurlijk Ei. Dus wij waren Appel en Ei. Appeltje Eitje, voor momenten waarop we onze embryonale uitspattingen niet konden beheersen. De wolk van nostalgie waarop ik me bevind, leidt me naar de middelbare school. Ik sluit mijn ogen, neem een slokje, word acht jaar jonger.
Mijn beste vriend heet Appel. Onze beste vrienden zijn Peppie en Rutger (klotenaam, Rutger). We luisteren Pearl Jam, dat toen al vrij oud was. We zijn verliefd, op drie meisjes tegelijk en allemaal op dezelfde. We noemen ze de Heilige Drie-eenheid. De heilige Drie-eenheid houdt van andere muziek dan wij, maar mag ons wel, denken we. De heilige Drie-eenheid heeft altijd vriendjes waar wij geen partij voor zijn. Ik vind Tara de leukste van de Drie-eenheid, omdat ze heel dik, lang krullend haar heeft en heel lekker ruikt. Daarnaast heeft ze een eigen smaak, iets dat de rest van de Drie-eenheid vreemd is, hoewel ik toch een beetje verliefd op ze ben. Rutger heeft het meeste succes bij het heerlijke geslacht, er gaan zelfs geruchten dat hij de vader van een kind zou zijn. Waarschijnlijk pertinente onzin, want Rutger heeft het niet zo op kinderen, ze zijn druk. Rutger haat drukke mensen. Hij is de beste schilder ooit. Appel en ik schrijven meesterwerken. Als we samen een werkstuk maken, krijgen we altijd een hoog cijfer, omdat we perfectionisten en mierenneukers zijn en omdat we kunnen schrijven. Peppie doet niets kunstzinnigs, maar rookt wel wiet. Mevrouw van Dam draagt in de zomer verbluffend korte rokjes voor een docent (die ze goed kon hebben).
Soms gaan we uit, naar concerten of de kroeg, waar Peppie altijd lam wordt en Rutger een meisje probeert te versieren. Soms heeft hij succes, meestal niet. Appel en ik praten over belangrijke dingen, zoals meisjes, later en de zin van het leven. We beperken het uitgaan, omdat we niet werken. Werken is voor losers, die op de korte termijn geld willen verdienen en geen tijd hebben voor Hogere Kunst. Rutger en Appel zijn dat met me eens, Peppies voornaamste reden om niet te werken is dat hij lui is. Later word ik schrijver. Peppie wint later een miljoen, anders moet hij werken. Appel weet het nog niet, hoewel zijn schrijftalent alomtegenwoordig is. Rutger wordt schilder en gaat in het bos wonen.
Als we toevallig samen in de klas zitten op de maandag na een uitgaansweekend, vertellen we altijd aan de Heilige Drie-eenheid dat we een leuk weekend hebben gehad, zelfs als dat niet zo was. We hebben afgesproken dat we dat doen, omdat mensen die lol hebben aantrekkelijker zijn. Dat is ooit wetenschappelijk bepaald, net als het feit dat vrouwen zich leuker gaan kleden en lekkerder ruiken als ze vruchtbaar zijn.
Peppie heeft problemen met zijn gereformeerde vader, waarom wil hij niet zeggen. Appel en ik denken dat hij het Rutger wel heeft verteld. We zeuren er verder niet om. We hebben geen brommers, want zijn milieufreaks. We wisten toen nog niet dat vlees slecht voor het milieu was, anders waren we geen milieufreaks geworden.
Mijn ogen gaan open, ik blaas De Kat in zijn gezicht, zodat hij van tafel gaat. Ik maak het lijstje met uit te nodigen mensen af en moet poepen. De kalender op de WC toont me dat ik overmorgen naar de bibliotheek van Bergen op Zoom moet. Dat is leuk, want dan kan ik op de terugweg bij Appel langs, die in Rotterdam woont. Als ik geluk heb mag ik blijven slapen en doen we alsof we nog steeds allerbeste vrienden zijn. Dan laten we elkaar het litteken van de uitgedrukte peuk op onze bovenarm zien, dat het teken van onze vriendschap is. We praten we over Rutger, die in Sneek schijnt te wonen. En over Peppie, die op het eindfeest van de middelbare school enorme ruzie met Appel kreeg. We denken dat hij dronken was, Peppie wil het er niet over hebben. Ik heb van nu tot overmorgen om uitnodigingen voor mijn verjaardag te versturen, een substantieel stuk van mijn boek te schrijven en Chinees te eten. Daarna moet ik naar Bergen op Zoom. Ik denk dat ik van mijn geld gebruik ga maken om een taxi te nemen. De geur van decadentie is af en toe lekkerder dan die van Tara, en sporadisch lekkerder dan die van Het Meisje, de Heilige Eenheid.
Nadat ik mijn verjaardagslijstje heb afgemaakt, belt Ruud.
‘Waarom bel je als je ook kunt aanbellen?’ vraag ik Ruud.
‘Omdat ik in mijn blote reet zit,’ zegt Ruud.
Of ik zin heb in de beste Whisky ooit, vraagt-ie.
‘Belachelijke vraag, Ruud, ik kom er aan. En ik heb even geen behoefte aan je blote reet, Ruud, dus kleed je aan.’
Ruud weet alles van whisky. Soms denk ik dat er whisky door zijn aderen stroomt. Dat kan ook te maken hebben met het feit dat hij zich vroeger nog wel eens sneed. Niet om medelijden op te wekken, maar vanwege ernstige psychiatrische problemen. Nu is Ruud zen, of (in Ying en Yangekketaal): Éen met zichzelf. Fijn voor Ruud. Fris gedoucht doet hij de deur open en hij begint meteen te praten, nog voor ik met mijn olijkste hoofd kan zeggen:
‘Steek van wal over die Whisky, Ruud.’
Hij heeft de haven al verlaten voor ik er erg in heb.
In zijn woonkamer ruikt het naar sigaretten en wierook en er speelt een muffe rock-CD. Als ik vraag wie de band is, antwoordt Ruud iets dat ik na een minuut weer vergeten ben.
Ruud is begonnen als burger. Met een vrouw en drie kinderen. Tot Ruud meer wilde. Reizen, feesten, genieten, neuken met andere mensen (vooral dat laatste schijnt zijn vrouw niet leuk gevonden te hebben.) Hij kreeg meer, kon doen wat hij wilde, maar miste wat hij nodig had. Zijn vrienden bleken alleen maar mede-feestgangers te zijn. Altijd zegt hij dat de vele vrienden toen niet opwogen tegen de twee vriendschappen die hij nu heeft. ‘Kwaliteit Meinoud, geen kwantiteit.’ zei mijn leraar Duits, nadat ik tien jaar geleden een dertig pagina’s tellend boekverslag inleverde waar ik een één voor kreeg. Godzijdank is de man dood, maar Zijn Woorden leven altijd voort. Na het verliezen van praktisch iedereen ging Ruud op reis, naar het Land van de Duizend Obesitaspatiënten per Vierkante Kilometer. Daar bleek dat het eenzaam is om omringd te worden door vijf miljoen mensen. He didn’t make it there. Zo werd een tragedie geboren, die zich doorontwikkelde tot hij zich van een flat afwierp en – God zij geprezen, want anders had ik nu niet die heerlijke Whisky gedronken – de val overleefde. Eenmaal behandeld en zichzelf hervonden hebbend, ging hij naast mij wonen.
Ruud verandert van CD en we genieten van de muziek en de drank.
‘Twintig jaar geleden, voor mijn depressie, heb ik deze whisky gekocht toen hij nog in het vat zat. Je kon bij die stokerij whisky reserveren en je mocht zelf weten wanneer je het dan in de fles deed. Koste me geen reet. Ik vond vandaag een mooi moment om de fles op te eisen en ik heb de juiste timing gehad. Ik proef alles wat ik doorleefd heb in deze drank.’
‘Waarom nu?’ vraag ik, terwijl ik besef dat ik geen schoenen aanheb. Het is halfeen ’s nachts. Glunderend vertelt Ruud dat hij een vriendin heeft. De eerste sinds zijn vrouw. Ik besluit dan ook maar te vertellen over Eva en vaderlijk geeft Ruud me advies. Afblijven als ze bezet is. Kinderlijk wil ik ‘zij begon.’ zeggen, maar ik bedenk me. Er piest een engeltje over mijn tong en ik ga naar huis. Als ik in bed lig vraag ik me af of ik één van Ruuds twee vrienden ben. De bas van de rockmuziek bereikt mijn oor en Ruud zet de muziek zachter.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2008-Apr-30 - Kip en het Ei XIII
Ik fluister, alleen de beweging van mijn lippen verraadt dat ik zing.
Ne me quitte pas.
Zij moet mij uit haar hoofd zetten, dat zei ze toch? Ja, dat zei ze. Dus dat ze me leuk vindt, toch? En waarom zou ze me anders een kus hebben gegeven? Het was geen tongzoen, niet lang en intens, maar toch. Op mijn mond, zachtjes, gedecideerd. De twijfel eet me op. Wat wil ze? Een lange relatie met twee kinderen en een labrador? Een stormachtige affaire met een dramatisch einde (zelfmoord van een der beide partijen of Het Vriendje dat mij vermoordt of ik die Het Vriendje vermoordt of Eva die Het Vriendje vermoordt of Het Vriendje dat Eva vermoordt)?
Wil ze niets? Alleen even een kus, gewoon omdat ze wilde weten hoe het was? Omdat ze nog nooit was vreemdgegaan? Misschien gaat ze wekelijks vreemd en heeft ze zich met mij nog ingehouden. Moet ik me gedumpt voelen? Want ik zit op de bank met een whisky-on-the-rocks melancholisch voor me uit te staren, zonder vrouw. Ze is weggelopen, gevlucht in de veilige veel te gespierde en ongetwijfeld met een tribaltatoeage gesierde armen van haar vriendje.
Moet ik me gezegend voelen? Want onze lippen hebben elkaar geraakt. Een seconde in de hemel.
Moet ik al mijn vrienden uitnodigen voor een feest ter ere van onze aanstaande verloving? Moet ik naar het dichtstbijzijnde station lopen en me voor de eerste trein werpen? Namen verzinnen voor onze kinderen? Huilend in slaap vallen met de gedachte dat dit alles was? Champagne? Slaappillen?
Er ligt een pluisje van haar jas naast me op de bank. Herinnering aan de eerste keer een echte kus. Ik raap het op, stop het in mijn broekzak. Als het, nadat ik de broek gewassen heb, nog in dezelfde broekzak zit, moet ik haar bellen. Anders is het over. Had ze maar naar Jacques moeten luisteren. Zou ze zelf weten hoe goed het lied op onze situatie van toepassing zou zijn? Zou ze op deze manier mijn gevoel willen bespelen, zodat ik aan haar zou denken? Of noemen we dit – á la Darwin- puur toeval. Hoe dan ook, ik zit op een bank en word heen en weer geworpen tussen het mooiste gevoel van de wereld en suïcidale neigingen. Wat als ze naar Jacques had geluisterd? Zou ik dan op dit moment op deze bank zitten? Liggen? Op mijn knieën zitten? Op mijn rug liggen? Op haar rug liggen? Zouden we boven zijn in ‘ ze master bedroom’? Zou ik haar vertellen over mijn jeugd? Zou ik haar Bach laten horen, in de hoop dat mijn droom werkelijkheid zou worden? Het zou mooier zijn geweest als ze naar Jacques had geluisterd.
Ik denk dat ik me net zo voel als iemand die een bijna-doodervaring heeft. Ik maak dingen mee die mooier zijn dan ik ooit zou kunnen verwachten, het is alsof er geen pijn meer is, alleen maar liefde. Maar tegelijkertijd weet ik dat ik mijn tijd nog niet is gekomen. Afscheid nemen van mijn geliefde en me op het ware geluk storten zit er voor mij nog niet in en de vraag is of ik dat wel wil. Misschien is er genoeg van mij om te verdelen over Eva en mijn familie en mijn vrienden en mijn kat. Mijn kat komt bij me om schoot en zeurt om eten, terecht. In mijn haast ben ik vergeten hem te voeren en nu zit hij dus al uren op een houtje te bijten- de wandelstok van mijn opa. Ik voer hem. Zelfs het lopen naar de keuken voelt anders dan normaal. Alsof ik geen lichaam heb, alleen maar een beetje loop te zweven. Als ik buk om het bakje van De Kat te pakken stijgt het bloed echter gewoon naar mijn hoofd. Gelukkig, ik leef nog. Gretig eet hij van de substantie die ze kattenvoer noemen. Mijns inziens heeft het niets met kattenvoer te maken, bestaat kattenvoer uit een combinatie van veren en spitse snuiten, maar dat is wel het laatste waar ik me nu druk om maak. Het restje whisky giet ik door de gootsteen en ik ga slapen. Morgen moet ik naar Spaarndam.
Ik had een wilde droom verwacht, van hevige seks in de balzaal, met Bach die ons opzweept, maar ik droom niet van haar. Ik droom van vroeger. Over mensen die al dood zijn en mensen die al dood hadden moeten zijn. Mijn oma complimenteert me met mijn rapport en zegt dat ze mijn nieuwe trui erg mooi vindt. Geintje van oma, ze heeft hem zelf gebreid. Ik lach niet, maar strik mijn veter terwijl mijn broertje de kamer binnenloopt. Hij geeft oma een kus. Opeens zie ik dat hij anders is.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2008-Mar-29 - Kip en het ei XII
De straatlantaarns zijn aan en omdat uit de negentiende eeuw stammen, hangt er een nostalgische sfeer in de stad. Ze niest, pakt het zakdoekje en snuit haar neus, al lopend. Ik lach.
‘Wat?’
‘Nou, dat je je neus snuit. Ik dacht niet dat je dat zomaar zou doen.’
‘Heus wel. En, zal ik je meteen even uit de droom helpen, ik poep ook.’
‘Natuurlijk, maar je neus snuiten op straat…’
‘Onbeleefd?’
‘Nee. Leuk.’
Stilte. Alleen zij en ik en de stad. En de duivven dan, maar die zijn er altijd. We lopen langs steegjes, telkens fantaseer ik dat ze me een steegje insleurt en dat we dan… O wat zou dat goddelijk zijn. Voetstappen, de mijne wat zacht en tamelijk langzaam, de hare iets koketter, fierder. Ze is de muts bij ons vertrek uit het filmhuis vergeten op te zetten en dat vertel ik haar dan ook.
‘Ik heb het warm,’ zegt ze.
‘Trek wat uit, of nee, trek alles uit, dan doe ik dat ook,’ zou ik willen zeggen, maar ik zeg: ‘O.’
‘Je vond er niets aan hè?’
‘Nou, het was interessant,’ zeg ik. Mijn lach verraad mijn leugen.
‘Je houdt meer van de bioscoophits, zeker?’
‘Snap je dat ik het een slechte film vond? Zonder rode draad, geen enkel aanwezig verhaal, geen karakterontwikkeling, behalve dat de Chinees dood gaat en opnieuw wordt geboren, wat niet verklaard wordt.’
‘Jij kijkt met schrijversogen.’
‘Ongewild.’
‘Zou je de film door mijn ogen willen bekijken?’
‘Dan zou ik in je hoofd moeten zitten.’
‘Dat zit je al.’
Ze kijkt naar de huizen, ik kijk naar de grond, wil dat ze niet ziet dat ik rood word.
Het is niet lang meer en ik vraag haar of ik haar zal thuisbrengen.
‘Nee, ik breng jou wel thuis,’ antwoordt ze.
‘Waarom? Bang dat vriendlief jaloers wordt?’
‘Nee, zo’n slechte relatie hebben we niet, hoor, hij weet precies waar ik ben.’
‘En dat je me thuisbrengt.’
‘Dat niet, maar daar komt hij vanzelf wel achter.’
We gaan de hoek om en komen in de straat waar de hemel openging. De straat waarin mijn leven werd verrijkt door een verrukkelijke vrouw. Die die naast me loopt. De straat waarin mijn huis staat, potentieel toneel van mooie dingen. Ik verzamel moed om haar straks te vragen even binnen te komen.
‘Wil je nog wat drinken?’ vraag ik.
‘In jouw huis?’
‘Ja, waarom niet?’
‘Omdat schrijvershuizen altijd holen zijn waar nooit licht komt en die stinken naar rook en drank.’
‘Ik rook niet.’
‘Lekker, heb je cappuccino?’
‘Met een likeurtje?’
‘En zonder likeurtje?’
‘Nee, dat niet.’
‘Het is koud, doe de deur open.’
Ze kijkt rond, wandelt onderzoekt mijn huis. Zoekt naar dingen die erop wijzen dat ik een schrijver ben. Rommel, lege flessen, vieze boeken, stof.
Ze gaat zitten, onder de indruk van de netheid van mijn huis.
‘Ga zitten,’ zeg ik.
‘Neem je mijn jas niet aan?’
Die prachtige verontwaardiging.
‘Leg maar naast je,’ zeg ik vanuit de keuken, zoekend naar de cappuccinopads.
‘Ha! Dus toch niet netjes!’
‘Denk je dat je lang zult blijven, dan?’
Het blijft even stil, dan, weer verontwaardigd: ‘Nee.’
Ik schenk de cappuccino in, ga naast haar zitten, sta op en haal drank uit de kelder. Glaasjes uit de keuken.
Als ik weer naast haar zit, loopt ze naar de radio en zet een CD op.
‘Vrijpostig,’ zeg ik, nippend aan mijn whisky.
Het is Jacques Brel die zingt. Over een vrouw, denk ik.
Ze gaat zitten, drink de cappuccino en staat weer op, nadat ze een slok heeft genomen.
‘Suiker,’ zegt ze.
‘Suiker,’ zeg ik.
‘Je bent vervelend,’ zegt ze.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Omdat je uitstraalt dat je me wilt. En omdat ik niet weet wat ik daarmee moet.’
Ik bloos, nip, zeg niets.
‘Het probleem is niet dat jij mij uit je hoofd moet zetten, maar dat ik jou ut mijn hoofd moet zien te werken,’ zegt ze.
Ze slaat haar cappuccino en haar borrel achterover en trekt haar jas aan, loopt naar de kamerdeur.
‘Tot ziens, Meinoud.’
Ze slaat de deur dicht. Doet de deur weer open, loopt naar me toe. Ik zit stil, doodstil, wordt warm. Ze staat voor me en buigt voorover. Mijn hersenen doen het niet meer. Haar lippen komen dichterbij. Een kus, heel even. Mijn handen trillen.
‘Tot ziens,’ zegt ze.
Jacques Brel zingt. Over een vrouw, denk ik.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2008-Mar-29 - Kip en het ei XI
Ik heb nog nooit zo’n vage film gezien, hoewel ik heel wat vage films heb gezien. Over mensen die in het begin van de film dood zijn en aan het einde geboren worden, over dieren die met elkaar kunnen praten, terwijl de mensen in het bos wonen in holen en alleen door middel van aan elkaars kont te krabben met elkaar kunnen communiceren. Over de langste minuut uit het leven van een Pool. Een minuut die vijf uur duurt, zonder ondertiteling. En al die films waren serieus bedoeld, er zit geen tekenfilmpje tussen. NPS-VPRO-pulp. Maar deze film is écht vaag. Het prominent op de filmposter afgebeelde Chinese jongetje speelt geen enkele rol in de film. Er wordt niet gesproken in de film en het speelt zich af in één ruimte. De toeschouwer moet de dialogen uit de ogen van de acteurs aflezen, ogen die bovendien ook nog eens belachelijk klein zijn. (Het is per slot van rekening een Chinese film). Ik heb na de vijfde minuut van de film besloten een voorbarige conclusie te trekken en ik let nu dus niet meer op de film. Alleen maar op haar. Op hoe ze ademt, hoe ze haar benen neerzet op de vloer, die een vreemde kleur heeft. Sommige mensen zullen het aquamarijn noemen, anderen noemen het gewoon blauw. Ik prefereer de term IJslandsezomeravondluchtblauw. Haar voeten op de vloer, haar linkervoet van de vloer, samen met haar linkerbeen. Het been slaat over het rechterbeen. Ze zit geconcentreerd te kijken, probeert over het dilemma van de hoofdpersoon na te denken (in de folder staat dat de hoofdpersoon een dilemma heeft). Ze heeft haar muts afgezet. Ze laat haar rechterhand rusten in de bak met popcorn. Zoute. De bak is voor tweederde gevuld. Ze neemt heel af en toe een zuinig handje popcorn. Haar borstkas beweegt rustig op en neer, ze straalt vrede uit. Vrede en liefde. Haar rechterhand komt in actie en brengt een miniem aantal gepofte maïskorreltjes naar haar lippen. Haar lippen zien er zacht uit, ze glanzen. Haar ogen blijven op het scherm gericht als ze de popcorn opeet. Haar lippen krullen zich tot een glimlach, blijkbaar is de film grappig. De lange man voorin de zaal lacht hardop, terwijl hij zich tegoed doet aan een chocoladereep. De vier wijze mannen achterin de zaal geven geen kik als de hoofdpersoon wordt omgebracht. Er biggelt een traan over haar gezicht. Haar mascara loopt enigszins uit en ze maakt haar wang meteen schoon met een tissue (of gewoon een zakdoekje, het zou zelfs toiletpapier kunnen zijn, hoewel dat niet erg elegant is.) Ze heeft zich erg ingeleefd in de film, want er komt nog een traan. Nu zou ik mijn arm om haar heen kunnen slaan, haar kunnen troosten en de volgende ochtend naast haar wakker kunnen worden in mijn hemelbed (hoewel ik geen hemelbed heb). Ik doe het niet, denk aan wat ze heeft gezegd over dat ze een vriendje heeft. De film gaat verder, hoewel hij al minstens anderhalf uur bezig is. Ik had ergens gelezen dat cultureel verantwoorde films nooit een populaire lengte hebben. Of ze zijn na drie kwartier afgelopen, of je zit vier uur naar een man in een Chinees huis te kijken. Zoals nu. Voordeel is wel dat het mooiste meisje van de stad – waarschijnlijk van het land en in ieder geval een mooier meisje dan ze ooit in China gezien hebben – naast me zit. De lelijke studentes voorin de zaal giechelen en zijn niet erg geïnteresseerd in de film. De reus voorin heeft zijn chocoladereep op, want het gesmak is gestopt. De vier wijze mannen achterin geven geen kik als de hoofdpersoon weer tot leven komt.
Ze huilt nogmaals, haar tissues zijn op. Ik biedt een zakdoekje aan. Ze kijkt me niet aan als ze het aanneemt. Ik zou het zakdoekje terug willen hebben, het willen inlijsten, het willen koesteren, het als een trofee bewaren, ertoe bidden, eraan ruiken, het langs mijn wang strijken, het voor altijd op mijn hart dragen, het opeten en nooit meer uitpoepen.
Ze stopt het in haar zak, dus dat gaat niet door.
Ik neem een handje popcorn, zoete. Ik neem een slokje cola, light. Als ik in goed gezelschap ben drink ik altijd cola-light (tenzij ’s avonds, dan whisky). Want in goed gezelschap doe ik altijd alsof ik onzeker ben over mijn lichaam. Dat maakt me schattig. Ik ruik slinks onder mijn oksel of ik wel helemaal okselfris ben. Dat is het geval. Ze houdt haar hand in haar haar en het lijkt alsof ze haar hoofdhuid masseert. Als ik een hoofdluis was zou ik wel weten nabij wiens haarwortels ik mijn kinderen zou werpen. Ze heeft haar sjaal afgedaan. Er is geen pauze in de film, want hij is al minstens twee uur bezig en ik mag hopen dat hij niet langer dan vier uur duurt (voor de eigenaardige man op de vierde rij dan, hij vindt de film namelijk waarschijnlijk niet leuk en heeft geen vrouw naast zich zitten.)
De eigenaardige man op de vierde rij kucht wat en moppert wat, omdat de film niet aan zijn verwachting voldoet. De lelijke studentes zijn gestopt met giechelen en kijken inmiddels quasi-geïnteresseerd naar de film. De lijs voorin drinkt een flesje ijsthee. De vier wijze mannen achterin geven geen kik als de film afgelopen is.
De film is afgelopen. We lopen de zaal uit en ze zegt dat ze de film erg goed vond.
‘Prachtige camera, uitstekende acteurs, of klink ik nu saai?’ vraagt ze.
Ze klinkt intellectueel. Als een frigide VPRO schuine streep NPS-doos. Maar dat is ze niet, o nee, zeker niet.
‘Je klinkt slim,’ zeg ik.
‘Saai dus,’ zegt ze.
‘Slim,’ zeg ik weer.
‘Ik weet genoeg,’ zegt ze.
Ik haal onze jassen op. Ik houd de deur voor haar open als we naar buiten gaan. De maan schijnt. De maan is weg. Er hangt een wolk voor. De wolk drijft weg. De maan schijnt. Er komt een nieuwe wolk. Het ruikt naar regen. We lopen naar huis, mijn huis.
‘Weet je,’ begint ze, ‘Als jij nou eens probeert om net zo te schrijven als de scenarioschrijver van deze film, ingetogen, subtiel, dan beloof ik dat ik je boeken ga lezen.’
Dat ga ik niet doen. Ik antwoord haar dat ik dat niet ga doen. Er breekt een takje onder het genadeloze geweld van mijn schoenzolen.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2008-Jan-11 - Kip en het ei X
Morgen zal ik naar de bibliotheek van Spaarndam reizen. Ik zal mijn trein missen, omdat het gisteren laat was geworden. Ik zal de bibliotheek bellen om te zeggen dat ik te laat ben. De oude vrouw van de bieb zal het begrijpen. Als ik in de trein zit, zal ik wegdromen en denken aan Eva. Het Meisje. Ik zal mijn laptop meenemen in de trein en ik zal een verhaal over haar gaan schrijven. Het zal het beste verhaal ooit worden. De trein zal vertraging hebben en ik zal daarom de bibliotheek bellen. Die van Spaarndam. De oude vrouw van de bieb zal het begrijpen. Ik zal doorweekt aankomen in de bibliotheek. De vloerbedekking zal grijs zijn. Er zullen twintig, hooguit dertig ouderen zitten. Er zal een meisje van zestien zitten, die op school gepest wordt omdat ze te veel leest. Ze zullen mijn werk kennen en er motieven achter zoeken die ik niet begrijp. Ik zal voorlezen uit mijn verhalenbundel. De vrouwen zullen klappen, de mannen niet. De mannen zullen niet klappen, omdat ik veel te laat was. De vrouwen zullen uit beleefdheid wel klappen, maar later op de dag des te erger over mij praten. Ze zullen me een losbandige jongen noemen en kwaad over mij spreken. Ik zal een bosje bloemen van de bibliotheek krijgen en de oude vrouw van de bibliotheek zal nerveus zijn om met mij te spreken. Haar handen zullen de mijne trillend schudden. Wanneer je in de huid van haar handen zou knijpen, zou het velletje nog een paar seconden omhoog blijven staan, omdat ze oud is. Ik zal de trein terug nemen en ik zal bijna alleen in de coupé zitten. Ik zal beseffen dat de voorleessesie slecht was geweest en me daar niet voor schamen. Ik zal er een goede reden voor hebben, mijn hoofd zal zich in de wolken bevinden omdat er gisteren iets onbeschrijfelijks gebeurd zal zijn. Er zal één man in de coupé zitten. Het zal een oudere heer van stand zijn die me vaag zal herkennen van de foto op de achterflap van 'De maan en een glas port.' Hij zal me niet kunnen thuisbrengen, maar zal niet durven vragen wie ik ben.
Dit bedenk ik me terwijl ik de bioscoop inloop met Eva. Ze corrigeert me.
'Als je een vreemde ruimte binnenloopt, moet de heer voorgaan.'
'Sorry, zal ik dan maar?' vraag ik
'Nee, ' zegt ze 'Nu heb je het al verpest.'
Ik kan horen dat ze het niet meent. Ik pas mijn goede manieren nu wel goed toe en neem haar jas, die ik aan de ijzeren kapstok ophang. De jas ruikt goddelijk. Ik stop mijn neus niet als een idioot in de jas, maar ruik een vlaag van de geur die een mengeling is tussen buiten, de stad, haar subtiele parfum en haar lichaamsgeur. Misschien is díe geur wel de lekkerste van de vier. De film begint over tien minuten. Zij heeft de kaartjes. De foyer is verlicht met tl-buizen. Er staat een bebaarde man achter de eikenhouten bar, vergezeld door een jongen met onverzorgde dreadlocks die, aan zijn houding en zijn neus te zien, waarschijnlijk zijn zoon is. Ik sta naast haar en ze pakt mijn hand. Ze tilt de hand elegant omhoog en zegt in Cockney: 'Shall we?'
'We shall.' zeg ik.
We lopen de bioscoopzaal binnen en er hang een muffe geur. De stoelen zijn grijs. Ze zijn klein en de man die op de tweede rij zit heeft niet voldoende beenruimte. Ik vind dat we achterin moeten gaan zitten, omdat er daar bijna niemand zit.
'Zullen we achterin gaan zitten?' vraagt ze.
'Prima,' zeg ik.
'Het is druk, normaal is er geen hond.'
'Ze wisten dat jij zou komen,' zeg ik vleiend.
'Eitje toch, wat zei ik nou?' zei ze terwijl ze haar wijsvinger op mijn borst drukte 'Je mag me niet versieren.'
'Het spijt me enorm,' zeg ik gespeeld beschaamd. 'Zal ik het goedmaken door popcorn te halen?'
'Zoute,' zegt ze en ze gaat zitten.
De popcorn is duur. De baard en de dreadlocks achter de bar negeren me aanvankelijk, ze praten over hengels. Als ze me opmerken verkopen ze me de popcorn, die ik betaal met voornamelijk vijf en tien cent-munten. Die heb ik altijd bij me, om vervelende verkopers te pesten. Ik loop de zaal weer in.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2007-Dec-9 - Kip en het ei IX
Het Meisje is laat. Ik loop door mijn kamer. Van het voorraam naar het achterraam, telkens proberend om sneller heen en weer te lopen dan de vorige keer.
Ik draag mijn mooie schoenen, die net nieuw zijn. Ik ruik lekker, voor zover ik lekker kan ruiken. Ik heb vier biertjes op, zodat ik wat vrolijker ben. Daarna natuurlijk mijn tanden gepoetst om niet naar alcoholist te stinken.
Ik draag een zwart overhemd en kijk op mijn horloge. Dan gaat de bel. Ik loop naar de voordeur, waar gelukkig een gordijn voor hangt. Dat geeft me de gelegenheid om ongezien aan mijn ballen te krabben voor ik de deur opendoe.
Ik doe de deur open. Ik zie het mooiste meisje dat ik ooit heb gezien. Ze ruikt net als in mijn droom. Of ongeveer net zo. Maar waarschijnlijk lekkerder. Ze heeft een muts op. Ik haat mutsen, maar deze is prachtig. Ze heeft handschoenen aan. Ze zijn paars. Dieppaars.
Ze zegt:'Ik ben laat.'
'Maakt niet uit.'
'Natuurlijk wel, jij was waarschijnlijk ontzettend bang dat ik niet zou komen.'
Dat klopt.
Ik zeg: 'Nee, natuurlijk niet.'
'Wat ruik je lekker,' zegt ze. Haar tanden zijn bekoorlijk. Terwijl ik me dit bedenk bedenk ik me ook dat tanden niet bekoorlijk kunnen zijn.
'Dank je. Jij ook. Lekkerder.'
'O, trouwens, je weet dat ik een vriendje heb?'
Ondanks dat ik dat wist, klopt mijn hart één slag ontzettend hard en schiet mijn bloed een seconde als een giftige pijl door me heen.
'Ja, ik zal niets proberen.'
'Dat dacht ik ook,' zei ze.
Ik zal waarschijnlijk niets durven proberen. Bij gewone meisjes durf ik dat wel, maar zij is zo gastronomisch mooi, dat mijn zelfvertrouwen tot onder het vriespunt is gedaald.
'Kom je?'
'Ja.'
Ik pak mijn jas, knoop hem dicht en spreek mezelf moed in.
'Zouden we niet gaan fietsen?'
'Mijn vader weegt honderddertig kilo, en dat ziet er niet charmant uit, geloof me,' zegt ze.
'Het is twintig minuten,' gaat ze verder.
Twintig minuten. Twintig minuten waarin van alles kan gebeuren. We zouden in een steegje kunnen belanden. We zouden kunnen praten over het weer en we zouden spontaan kunnen sterven.
Twintig minuten.
Ik moet eerlijk zijn:'Ik heb van je gedroomd,'
'Geloof je het zelf? Waarom zou je van mij dromen?'
'Nou, waarom niet?'
'Omdat er veel leukere mensen zijn om over te dromen.'
'Dat betwijfel ik,'
'Ik heb al gezegd dat ik niet vrijgezel was, dus probeer me niet te versieren.'
'Ik meen het. Ik maak me geen illusies.'
'Dan is het goed.'
We lopen. Dichter naar het centrum. We zeggen niets. Ik ruik haar. Ze ruikt naar liefde. Niet naar seks, maar naar liefde. Mijn adem is een wolkje.
Het wolkje verdwijnt en ze begint te praten.
'Het is een Chinese film,' zegt ze.
Ik heb een hekel aan Chinese films, daarom zeg ik: 'Leuk, waar gaat-ie over?'
'Over een jongetje dat ontdekt dat hij anders is.'
'Anders. Dat is geen Chinese naam.'
'Anders zonder hoofdletter. Hij kan dingen zien.'
'Kunnen Chinezen normaal niet zien dan?'
'Je weet best wat ik bedoel.'
'Ik weet best wat je bedoelt.'
'Maar verder weet ik niet waar hij over gaat.'
'Hij is waarschijnlijk vaag en onbegrijpelijk, net als alle filmhuis-films.'
'Voor jou. Ik snap ze altijd.'
'Maar jij bent ook briljant.'
'Niet slijmen, Meinoud.'
'Hoe weet je mijn naam?'
'Omdat je een bekende schrijver bent. Niet dat ik wat van je heb gelezen, ik vind Nederlandse literatuur altijd plat.'
'Hoe weet je of ik plat schrijf als je nog nooit iets van me gelezen hebt?'
'Mijn zusje heeft een boek van je. 'Groene perziken'.
'Dat is mijn slechtste werk.'
'O. Maar toch schrijf je plat, Meinoud.'
'Noem me Ei. Hoe heet jij?'
'Ei? Waarom?'
'Meinoud is te lang. En bovendien was Meinoud Rost-van Tonningen een oorlogsmisdadiger.'
'Ik heet Eva.'
'Dan laat ik mijn naam veranderen in Adam.'
'Je weet hoe het met die twee afliep?'
'Slecht idee inderdaad.'
We praten weer niet, maar de stilte is gerieflijk, zeker niet pijnlijk.
We zijn er bijna.
'We zijn er bijna.' zegt ze.
We staan voor de ingang van het filmhuis. Het ziet er op geen enkele manier gezellig uit. Dan moeten we daar zelf maar voor zorgen.
Ik laat haar eerst naar binnen gaan. Natuurlijk laat ik haar eerst naar binnen gaan.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2007-Nov-10 - Kip en het ei VIII
De pizza smaakt me niet en ik besluit, nadat ik alle kaas eraf heb gegeten, om hem aan De Kat te voeren, die daar aanvankelijk erg blij mee is, maar later de pizza vanuit haar maagje op de keukenvloer deponeert. Ik ben in zo’n goede bui dat het opruimen van wat kattenkots mijn avond niet kan verpesten. Ik ruim het overgeefsel en de pizza op en ga zitten. Ik sta op, omdat de telefoon gaat. Of ik nog mee uit ga vanavond. Nee, want ik moet nog werken. Waarom ik nog moet werken. Omdat ik al tijden niet meer gewerkt heb. Dat ik met mijn vorige verhalenbundel genoeg heb verdiend om een jaar niets te schrijven en dat ik dus niet moet zeiken, maar stappen. Dat ik dat zelf wel kan bepalen, omdat ik graag over een jaar nog steeds te veel geld wil hebben. Dan moet ik het zelf maar weten. Of Enzo nog verstrengeld is met Alcoholische Versnapering. Dat Enzo verstrengeld is met Gloria. Of ik Het Meisje nog heb gezien. Dat ik een date heb met het meisje, dat een vriendje heeft.
‘Gefeliciteerd,’ zegt Peppie en we nemen gepassioneerd afscheid en hangen op.
Ik heb eigenlijk helemaal niet zo belachelijk veel zin om te gaan werken, maar omdat ik het tegen Peppie gezegd heb, voel ik me moreel verplicht om het toch te doen. Ik ga naar mijn werkkamer, zet de supersnelle computer aan en negeer het verleidelijk blinkende internet-explorer-icoontje. Ik kijk waar ik ook alweer gebleven was en ga verder. Ik stop met schrijven als het twaalf uur is en ik ontzettend ben opgeschoten. Mijn maag knort enorm, omdat alleen de kaas van een pizza me niet in leven kan houden. Ik bak een opzichtig grote omelet, waar godverdegodver een stukje eierschaal in valt. Ik eet de omelet op, kijk op de klok en zie dat er nog tijd is om uit te gaan. Dat doe ik niet. Onder het genot van veel te harde muziek maak ik een lijstje van mogelijke namen voor Het Meisje. Greta valt af, evenals Henny. Ik ga naar de website van het filmhuis om te kijken welke film er zaterdagavond draait. Het filmhuis heeft geen website. Ik kijk een jaren tachtig actiefilm en val daarbij in slaap. Ik word wakker van De Kat die het nodig vindt om zijn nagels in mijn bovenbenen te planten en ga, zoals het een fatsoenlijk mens betaamt, in mijn bed liggen. Ik droom opnieuw over het meisje, maar dit keer is het een mooie droom. Natuurlijk omdat ze me mee uit heeft gevraagd.
We staan in dezelfde balzaal. Ze draagt dezelfde jurk, hetzelfde parfum, dezelfde handschoenen en dezelfde ring met hetzelfde robijn. Dit keer observeer ik het tafereel van boven. De kaarsen maken het een romantisch plaatje, en ook Bach helpt daar een handje bij. Het Meisje loopt op een man af, die ik niet herken. Van bovenaf heeft ze een prachtige decolleté. Ik zak langzaam van het plafond naar de grond, zonder dat ik er iets aan kan doen, en beland achter de duistere figuur. Het meisje staat vlakbij de duistere figuur, die ze aan de kant duwt. We hebben oogcontact en ik smelt. We zoenen. Als deze droom overeenkomt met de werkelijkheid, is Het Meisje de beste zoenster van de Benelux, mogelijk zelfs daarbuiten. De duistere figuur valt in een gat. Het meisje loopt naar het gat om hem uit te lachen en schrijdt terug naar mij. Ik vraag haar hoe ze heet. Ze doet haar mond open om te antwoorden en ik word wakker. De vogeltjes fluiten.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2007-Nov-9 - Kip en het ei VII
Nadat ik voor de tweede keer vandaag onder de douche uitstap droog ik me tergend langzaam af, treurend omdat Het Meisje ook een Jongetje heeft. Als ik na drie, vier, misschien zeven minuten afgedroogd ben, loop ik naar mijn kamer en ga in bed liggen. Ik merk dat ik hoofdpijn heb en ga daarom maar slapen.
Ik droom over Het Meisje. Zij en ik staan midden in een enorme balzaal. Ik draag een smoking. Er is niemand anders in de zaal, die door honderden kaarsen verlicht wordt. Er klinkt net hoorbaar klassieke muziek op de achtergrond, Bach. Ik droom dat ze op me af komt lopen, in een galajurk. De jurk is dieprood en ze draagt lange handschoenen. Ook dieprood. Ze heeft een ring met een robijn om haar vinger en de jurk is net kort genoeg om haar onderbenen te zien. Normaal val ik niet op onderbenen, maar dit zijn toch wel de mooiste die er bestaan. Ze loopt glimlachend op me af, al heupwiegend. Ik ruik haar parfum, een subtiele, vrouwelijke geur. Dan begint het nare gedeelte van de droom ik kijk haar diep in haar ogen, die in mijn droom nog intenser groen zijn dan in het echt, maar ze kijkt langs me heen. Ze komt dichterbij en ik kan geen oogcontact met haar krijgen. Ze loopt door, tot haar schoenen de mijne raken. Haar ogen zijn verliefd, haar tred is verleidelijk. Ze duwt me weg, en zoent dan een opeens ontstane figuur achter me. Die man is onherkenbaar, omdat er een zwarte schaduw op zijn gezicht valt. Dan valt de bodem onder me weg en val ik tergend langzaam naar beneden, terwijl ik boven me Het Meisje zie, dat me uitlacht.
Ik schiet wakker, heb kippenvel en doe daarom een T-shirt aan. Ik zie op mijn wekker dat het nog maar negen uur is en besluit een pizza te bestellen. Ik kleed me aan en sluit het raam. Door het raam zie ik een vrouw, meisje, dat haar hond uitlaat. Mijn hart slaat over als ik haar nonchalant met haar telefoon zie spelen, terwijl haar hondje in het perkje snuffelt. Ze staat daar zo ongelofelijk lief. De kou en het kippenvel zijn verdwenen en haar aanblik vervult me met warmte. Zou ze een sms’je lezen van de man uit mijn droom? Een lief sms’je? Ik hoop van niet. Ik hoop dat hij het uitmaakt en dat ze dan bij mij aanbelt om troost te vinden, wat ik haar natuurlijk geef. Waarschijnlijk is het, helaas voor mij, een lief sms’je, want ze begint te glimlachen en vlijtig iets terug te schrijven. Ik besluit dat ik naar haar toe moet en kleed me aan. Ik storm de trap af, haal nog even diep adem voor ik de deur opendoe en relax op haar afwandel. Ik bedenk wat ik zal zeggen. De foute openingszin: ‘Goh, je moet vast moe zijn van al dat geren door mijn dromen,’ zou van toepassing zijn, maar dat weet zij natuurlijk niet. Ik besluit te beginnen met een gewaagde zin, hoewel ik het woord gewaagd van een hoog jaren-50 gehalte vind.
‘Je bent beter gelukt dan je zusje, weet je dat?’
‘Ken ik u?’ zegt ze met een stalen gezicht.
‘Ja, want je hebt je zusje over me verteld,’ zeg ik.
Ze klapt haar telefoon dicht en zegt, zonder me aan te kijken:
‘En mijn zusje zei tegen je dat ik een vriendje heb, dus probeer me niet te versieren.’
‘Dat doe ik toch niet, ik ben gewoon geïnteresseerd in je,’ zeg ik met een flirterige stem.
Ze kijkt me aan en lacht me uit. Een keer in de zoveel tijd komen dromen uit. Net als in mijn droom lacht ze me namelijk uit, hoewel ze nu wel een vervolg geeft aan de lach.
‘Dus jij wil bijvoorbeeld weten wat mijn interesses zijn, en hoe ik in het leven sta?’ vraagt ze.
‘Ja, zeg ik, want als je zo mooi bent als jij, moet je van binnen wel heel leeg zijn, anders is het niet eerlijk van God.’
‘Ten eerste probeer je me nu weer te versieren en ten tweede bestaat God niet.’
Ik ben er blij mee dat ze niet in God gelooft, maar verwerk dit gegeven bijzonder ontspannen, door in mijn broekzak een vuist van mijn hand te maken.
‘Ja, ik probeer je inderdaad te versieren, maar toch ben ik ook geïnteresseerd in je.’
‘Dan neem ik je maandag mee naar een prachtige film, die mij bijzonder intrigeert. Hij draait in het filmhuis.’
Met die uitspraak ben ik om twee redenen verguld. Ten eerste omdat ze me mee uitvraagt (Halleluja, praise the Lord, although he doesn’t exist, according to my humble opinion)
ten tweede omdat ze slim is, want alleen slimme mensen gebruiken het woord ‘intrigeert’ en gaan naar het filmhuis. Uiteraard ga ik op haar uitnodiging in en vraag ik haar de groeten te doen aan haar moeder, om alvast als ideale schoonzoon over te komen.
‘Slijmbal,’ zegt ze en ze loopt weg op een manier waar menig mannequin jaloers op zou zijn.
Als ze de straat uit is, schreeuw ik van blijdschap. Ik ga naar huis en bestel een pizza.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2007-Nov-8 - Kip en het ei VI
Ik schop de herfstblaadjes weg met mijn bijna kapotte schoenen, die door het veelvuldige geschop helemáál kapot gaan. Ik loop een winkel binnen, zie een paar schoenen dat me bevalt en koop het. Eigenlijk zou ik me moeten realiseren dat er heel veel mensen niet in zo’n positieve financiële situatie als ik zitten, maar ik denk er nooit bij na wanneer ik al weer een overbodig duur ding koop. De schoenen die ik gekocht heb zijn niet overbodig, maar wel duur. Ze zitten lekker en doen me denken aan een hitje van afgelopen zomer, dat ik dan ook bijna hardop begin te zingen:
‘Hey, I put some new shoes on and suddenly everything is right…’
Ik loop langs de grachten en luister naar de gids van een toeristenboot die vertelt hoe mooi de stad is. Ik gooi mijn oude schoenen in de gracht en besef dat ik weer zes bomen moet planten om deze wandaad te compenseren. De schoenen belanden vlakbij een meeuw, die daar niet bijzonder tevreden over is en beledigd wegvliegt. Om wraak te nemen op de mensheid laat hij zijn witte uitwerpselen vallen op het dak van een patserige SUV.
Ik begin sneller te lopen en harder te zingen, omdat ik denk dat Het Meisje net als gisteren haar hondje om vier uur uit zal laten. Waarom ik dat denk weet ik niet, want ik heb noch het hondje noch Het Meisje ooit eerder gezien dan gisteren. Toch loop ik nog harder door. Mijn gezang wordt luid, totdat de hele straat denkt dat ik gek ben.
‘Oh, short on money, but long on time, slowly strolling in the sweet sunshine,’ zing ik.
Strolling. Ik heb het opgezocht en het betekent kuieren of slenteren. Ik besluit dat ik het werkwoord to stroll voorlopig het mooiste Engelse woord ooit vind, omdat het de lading van de inhoud perfect dekt.
Wanneer ik mijn straat binnenloop, is er gelukkig nog geen spoor van Het Meisje. Ik kijk op mijn horloge, dat in de categorie te duur en overbodig valt, omdat ik ook de tijd kan bekijken op mijn eveneens te dure mobieltje. Het is kwart voor vier en daar ben ik blij mee, want daarom kan ik nog snel even douchen voordat ik Het Meisje tegenkom. De Kat begint terecht te zeuren om eten wanneer ik mijn huis binnenloop en daarom voer ik hem. Ik douche snel en ga dan met natte haren de deur uit.
Het Meisje is er niet. Het hondje wel. Met een ander meisje, dat de hoofdletter m niet verdient. Ze is jonger dan Het Meisje en heeft een typisch onzeker puberuiterlijk. In haar geval is de onzekerheid echter terecht, want het is een lelijk meisje. Ik besluit haar aan te spreken en loop naar haar toe. Voordat ik iets zeg begint ze al te praten: ‘Ben jij die kerel die mijn zus wilde versieren?’ zegt ze niet zonder rood te worden.
Ik antwoord dat ik dat inderdaad ben en vraag of haar zus nog bij haar ouders woont en hoe oud ze is.
‘Ja en negentien, ze studeert hier in de stad, dus hoeft niet uit huis.’ Ze is dus vijf jaar jonger dan ik en bovendien meerderjarig, daarom juich ik van binnen.
‘Hoe doet ze dat dan als haar vriendje blijft slapen?’ vraag ik, in de hoop dat Het Zusje zal zeggen dat ze geen vriendje heeft.
‘Dus jij gaat meisjes versieren waarvan je denkt dat ze een vriendje hebben?’ zegt Het Zusje. Ik antwoord dat mijn vraag een slinkse manier was om erachter te komen of ze een vriendje had. Natuurlijk had Het Zusje dat niet door, daar is ze nog te bakvisserig en naïef voor. Daarna zei het zusje de woorden die mijn dag verpestten: ‘Maar ze heeft wel een vriendje, hoor, en ze slaapt de helft van de tijd bij hem, hoewel ik denk dat er van slapen niet veel komt als zij samen zijn.’
Ondanks het feit dat ik Het Meisje een keer heb gesproken, krijg ik toch een jaloers gevoel, een gevoel alsof het meisje met haar vriendje vreemdgaat. Ik zeg tegen Het Zusje dat ze de groeten moet doen aan Het Meisje en het vriendje van Het Meisje moet feliciteren met zijn leuke vriendin. Ik ga naar huis en besluit te douchen tot het donker is. Ik besef dat ik opnieuw tien bomen moet planten om deze zonde te compenseren, maar dat weerhoudt me er niet van om heerlijk heet te gaan douchen.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2007-Nov-2 - De kip en het ei V
We zijn binnen en de club is inderdaad te hip. Iedereen ziet er goed uit, dus ik zeg tegen Peppie: ‘Je valt uit de toon jongen, iedereen ziet er hier goed uit,’
Peppie antwoordt dat hij dat niet kan zien, omdat ik zijn bril nog op heb. Ik zeg dat die bril me goed staat. Peppie zegt dat hij dat niet kan zien, omdat ik zijn bril nog op heb. Ik zet zijn bril af en geef hem terug. Peppie zegt dat iedereen hier te knap is, met uitzondering van mij.
‘Zet jij die bril van je maar lekker weer af, dan houd je je bek tenminste,’ zeg ik, waarna ik drank voor ons ga halen. Ik zie Enzo die zijn geloof verraad door als een randdebiel met Alcoholische Versnapering te gaan zoenen. Sik heeft zo te zien nog meer spul genomen, want hij ziet er ineens nog vreemder uit. Bovendien heeft hij een wit hitlersnorretje van poeder. Ik vraag wat de heren willen drinken en de heren antwoorden dat ze een whisky-cola (Peppie) en een whisky-cola (Sik) willen. Ik ga drie whisky-cola’s halen. Ik bedenk me dat in een sappige roman ik nu Het Meisje tegen zou komen en de nacht met haar zou doorbrengen in Sik’s renault. Tegelijkertijd bedenk ik me dat ik duidelijk niet in een sappige roman leef, want een of andere eikel duwt iets onder mijn neus, waardoor ik pas de volgende dag weer wakker word.
Ik word wakker. We zitten in de huiskamer bij Sik. Enzo en Alcoholische Versnapering, die een redelijke kater heeft, zijn nog steeds heel innig. Ondanks de redelijke kater. Peppie merkt op dat mijn ogen open zijn en zegt dat daarom meteen. Ik zeg dat ik zijn opmerking waardeer en dat ik wel een biertje lust. Sik zegt dat ik dat kan vergeten, omdat we niet aan lichtalcoholische dranken doen. Ik vraag waarom ik de afgelopen uren niets heb meegemaakt. Sik begint te vertellen: ‘Er was een of andere homo, die inmiddels waarschijnlijk verzorgd wordt door zijn net zo lelijke vriendje, omdat Peppie hem neer heeft geslagen.’ Peppie knikt trots.
Enzo maakt zich even los van Alcoholische versnapering en zegt: ‘Goeiemorgen, Ei,’ waarna hij zich opnieuw vastkleeft aan het in het licht niet zo mooie meisje.
‘Die homo heeft dus iets onder je neus gedouwd, poppers ofzo en toen ging je out,’ gaat Sik verder. ‘Peppie heeft je toen in mijn auto gelegd, nadat hij de sleutels van mij heeft gejat en is toen verder gaan feesten.’ Peppie knikt trots.
Later die avond kwam ik met een heerlijk wezen bij mijn Renault aan, maar toen lag jij erin en dacht ze dat ik net deed alsóf die auto van mij was, wat versterkt werd door het feit dat Peppie mijn sleutels nog had. Peppie knikt trots.
Alcoholische Versnapering zegt dat ze Lily heet, maar dat wij haar Alcoholische Versnapering mogen noemen. Ik denk na. Ik denk na over waarom Enzo Alcoholische Versnapering zo mooi vindt. Ze heeft niet het golvende zwarte haar van zijn vriendin, noch de reebruine ogen. Gloria, die terecht Gloria heet omdat iedereen de hemel looft wanneer ze haar zien, zal Enzo waarschijnlijk dumpen om dit erotische uitstapje van haar vriendje, waarna Enzo Alcoholische Versnapering zal dumpen en weer bij Gloria aan zal bellen. Zoals de vorige acht keer zal ze hem ook dit keer vergeven en zullen ze, voor een week althans, weer dat veel te mooie Italiaanse stelletje zijn. Ik ga rechtop zitten en zeg dat ik naar huis moet omdat ik een afspraak heb, die ik niet heb. Waarschijnlijk zal Het Meisje over een uur ofzo haar hondje weer uitlaten en daar moet ik bij zijn. Ik zoen iedereen (Peppie en Sik vol op de mond, Enzo, de preutse Italiaan op zijn wang en Alcoholische versnapering op haar linker, rechter en linkerwang). Ik loop naar huis en verheug me op Het Meisje. Ik steek de straat over.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2007-Nov-2 - Kip en het ei IV
We zijn er bijna. Ik vertel over De ontmoeting en Enzo zegt dat ik geen kans maak bij Het Meisje, omdat ik geen Ferrari heb. Ik zeg dat Enzo zijn Italiaanse patserbek met veel te witte tanden moet houden omdat ik niet wil dat Het Meisje op mijn geld maar op mijn karakter en uiterlijk valt. Peppie zegt dat ik het dan helemaal kan vergeten. Ik pak zijn bril af. Peppie zegt dat ik een eierhoofd heb. Ik zeg dat hij zijn muil moet houden omdat hij zonder de bril, die ik inmiddels op heb geen hol kan zien. ik kan geen hol zien, omdat ik de bril op heb. Sik vraagt aan Enzo waar we heen moeten. Enzo zegt dat hij geen flauw idee heeft. Sik is daar blij mee, omdat hij zo een onschuldige appetijtelijke dame kan vragen waar de veel te hippe club is. Dat is dan ook wat hij doet: ‘Waar is de dichtstbijzijnde veel te hippe club?’ vraagt hij een willekeurige voorbijganger die toevallig, heel toevallig, het uiterlijk heeft waar iedere vrouw jaloers op is. Ze vertelt dat ze het niet weet, maar dat ze graag met ons meerijdt. Ze is dronken. Sik zegt dat hij dat goed vind, zolang ze maar niet over zijn bekleding heen kotst. We noemen haar de Alcoholische Versnapering en ze gaat op de achterbank liggen met haar hoofd op Enzo’s schoot en haar hippe stappertjes op Peppie’s lange benen. Enzo probeert er duidelijk voor te zorgen dat het meisje niet ineens op een binnenbroekse verhoging stuit, omdat dat volgens hem echt niet kan, omdat hij een vroom katholiek is en dus monogaam. Sik zegt tegen Enzo dat vrome katholieken nette banen hebben en niet het ‘werk’ doen wat Enzo doet. Sik kan het weten, want hij is drie jaar geleden voor zijn vrome vriendin een maand katholiek geworden. Die maand is voor hem de maand geweest waarin hij zijn record van ‘Meeste vrouwen in een maand’ verdubbeld heeft. Waarom Sik dus niet meer met de Brabantse Vrome is hoef ik er dus niet bij te vertellen. Sik volgt zijn immense neus naar de hippe tent en zet zijn auto op een beschutte plek. In verband met zijn plannetje, zegt hij erbij. We zeggen dat we dat weten, omdat Sik zijn snode plannen met betrekking tot vrouwelijk schoon al heeft verteld. Sik zegt dat hij zich dat niet meer kan herinneren, omdat hij drugs heeft gebruikt. Ik sla sik op zijn bek, omdat hij ons onder invloed heeft gereden. Sik zegt dat het terecht is dat ik hem – overigens vrij rustig- sloeg. De buitenkant van de club ziet eruit zoals hij eruit moet zien. We gaan naar binnen.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2007-Oct-31 - Balorig III ofwel: Kip, ei en andere eenlettergrepige woorden
Hij moet nog rijden. Ik vraag me niet af hoe we ins hemelsnaam thuiskomen. Ik bedenk me niet dat Sik altijd te veel drinkt, en nog meer drinkt wanneer hij de Bob is. Ik maak me dus totaal geen zorgen. Sik is zo vrij geweest om nog een biertje te pakken, dat ik opnieuw leegdrink.
'Lieve Sik, ik zou graag willen aankomen op het feest zonder tussenkomst van bomen, paaltjes of kapotgereden Renaults.'
'Dat snap ik, Ei, dat snap ik,' zegt Sik, waarna we naar buiten gaan.
Peppie en Enzo zitten al in de auto. Enzo heet eigenlijk Giancarlo en verdient zijn geld met zaken waar we het verder niet over hebben. Hij heet Enzo omdat hij zo tyfusrijk is dat hij een Ferrari Enzo heeft. Bovendien waren we toen we zijn bijnaam verzonnen zo high dat we het grappig vonden om tegen mensen te zeggen wanneer ze vroegen wie er allemaal meeging vanavond: Enzo enzo. Eigenlijk niet grappig.
Peppie en Enzo begroeten me. Peppie kust me vol op de mond en Enzo, de preutse Italiaan, houdt het bij mijn wangen. Peppie begint zijn zorgen uit te spreken.
'Sik, waarom de fuck ga je met de auto, op de terugweg ben je op zeker te zat om te rijden.'
'Het is een tactiek,' zegt Sik terwijl hij de motor start.
'Ik ga daarheen, neem een meisje mee naar mijn auto, waarna ik haar vertel dat ik te zat ben om te rijden.' Hij schakelt naar de tweede versnelling en gaat verder:
'Dan zeg ik dat de auto ook uitermate geschikt is voor andere zaken.' Derde versnelling.
'Dan bellen jullie een taxi en heb ik een bijzonder fijne nacht in mijn vrij nieuwe Renault.' Vierde versnelling.
Peppie probeert een leuk antwoord te verzinnen. Inmiddels zitten we al in de vijfde versnelling en steekt Sik zoals gewoonlijk zijn middelvinger op naar de flitsende flitspaal. Hij betaalt de bonnen altijd met liefde, want heeft net als Enzo een chronisch geldoverschot.
Het Ad-remme antwoord van Peppie blijft uit.
'Waar gaan we eigenlijk heen?' vraag ik.
'Naar een of ander veel te hip feest,' zegt Sik.
Enzo zegt dat hij de feestplek kent via zijn jaloersmakend knappe vriendin. Ik zeg dat zijn vriendin te knap is, waarop Enzo zegt dat dat klopt. '
Peppie begint te zingen, zoals Peppie altijd zingt, hoewel Peppie niet kan zingen.
'We zijn er bijna, we zijn er bijna.'
'Helemaal niet,' zegt Enzo.
'Bovendien zing je vals,' zeg ik.
Enzo laat een scheet, die luid wordt toegejuicht door Peppie en Sik doet het raam open.
Ik zeur dat het te koud is en Sik doet het raam dicht.
We zijn er bijna.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2007-Oct-31 - Balorig II
Ze verdwijnt uit de straat. Trippel trippel trippel trap. Zo elegant als deze dame stapt, heeft het paard van sinterklaas nog nooit over de daken gehuppeld. Mijn balorigheid is overgegaan in een enorm verlangen. Verlangen naar dit meisje, deze vrouw. Hoe ze heet weet ik niet. Hou oud ze is weet ik niet. Ik besluit te kijken wat het lot voor mij in petto heeft en ren niet achter haar aan. Als het is voorbestemd, dan komen we elkaar later zeker weer tegen. Normaal geloof ik niet in het lot, maar in dit geval is het mooi meegenomen om dat wel te doen, zodat ik een excuus heb om mijn verlegenheid niet overboord te hoeven gooien. Ik loop weer naar huis. Ik ga weer zitten in de stoel en bel Sik. Ik vraag hem of er vanavond nog gestapt wordt. Er wordt gestapt. Ik drink mijn biertje- waar twee slokken uit ontbreken- op en pak uiteindelijk toch maar een goed boek, waarmee ik De Kat die irritant doet niet te zacht op zijn kop sla. Toen hij een paar jaar geleden in het bos naast me kwam lopen, besloot ik om hem in huis te nemen. Dit omdat mijn vorige vriendin allergisch was voor katten en ik zo ein-de-lijk van haar af zou zijn. Ik was van haar af, maar niet gelukkig en al helemaal niet in een bui om een naam voor de kat te verzinnen. Dus werd het maar gewoon De Kat.
Ik besteed de dag aan het kijken van belspelletjes – zap- shoppingprogramma’s – zap- Duitse familiefilms- zap- en Vlaamse quizzen- zap, tv uit.
Ik word wakker van Sik, die het zoals altijd verdomd om als een fatsoenlijk mens aan te bellen, maar als een gefrustreerde kameel op mijn raam begint te kloppen. Ik spuit deo op, kijk in de spiegel, knipoog naar mezelf en loop naar Sik. Sik die eigenlijk Allard heet, maar iedereen vindt dat een lelijke naam en hij had een sik toen ik hem voor het eerst zag. Omdat hij de sik vorige maand heeft afgeschoren, herinner ik hem er altijd aan dat hij een blotebillengezicht heeft.
‘Je hebt een blotebillengezicht.’
‘Ik krijg een sik van je gezeik, Ei.’
Ik heet eigenlijk Meinoud, maar twee lettergrepen zijn teveel van het goede en bovendien heb ik volgens Peppie een eierhoofd. Peppie moet zijn muil houden, want hij kan amper iets zien zonder zijn bril en noemde mij zonder zijn bril een eierhoofd. Peppie heet eigenlijk Patrick, maar vond dat wel zo’n walgelijke naam dat hij hem al sinds hij kan praten niet meer gebruikt. Het feit dat zijn ouders hem zo hebben genoemd is voor hem al genoeg om die nooit meer te willen spreken.
‘Proost,’ zegt Sik, die zo vrij is geweest om een biertje te pakken.
‘Proost,’ zeg ik en ik pak zijn biertje uit zijn hand en drink het in een teug leeg: ‘Je moet nog rijden.’
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
2007-Oct-31 - Balorig
Ik ben balorig. Wat balorig is weet ik niet, maar ik voel me heel duidelijk wel balorig. Ik loop door de kamer en besluit dat mijn balorigheid me niet kan beletten in het lezen van een goed boek. Als ik voor de boekenkast sta begint mijn balorigheid op te spelen en loop ik dus maar weer terug naar de stoel waar ik het afgelopen uur heb doorgebracht. Ik bel een willekeurig nummer uit het telefoonboek en schreeuw, wanneer een vriendelijke mannenstem de telefoon opneemt, in zijn oor dat ik balorig ben. Hij antwoord waarschijnlijk dat dat hem geen hol interesseert. Waarschijnlijk, omdat ik de ballen niet heb om te wachten op zijn antwoord en na het uitschreeuwen van het laatste woord de verbinding verbreek. Gek genoeg gaf deze actie me niet de voldoening die ik had verwacht, dus ik neem maar een biertje. Na twee slokken ben ik het gerstensap zat en loop ik de deur uit. Als ik de straat uitloop. besluit ik de eerstvolgende voorbijganger aan te spreken en de nacht met diegene door te brengen. Daar zie ik hem. Ik besluit op mijn besluit terug te komen, omdat ik het niet zie zitten de nacht door te brengen bij een bejaarde man. Dan komt daar -de hemel zij geloofd- een prachtige dame aantrippelen. Parmantig laat ze haar hondje uit en ik betreur het dat ik niet meer bier had gedronken. Dan zou het namelijk makkelijker zijn om me aan mijn belofte aan mezelf te houden.
'Hé, goh, ik heb je hier nooit eerder gezien,' zeg ik, waarna ik mezelf letterlijk voor mijn kop sla vanwege deze ongelooflijk oninteressante clichématige opmerking. Daarom reageert ze aanvankelijk ook niet. Ik onderneem nog een poging: 'Weet jij dat jouw hond in de zomer de gelukkigste man van de wereld is? Hij kan namelijk, wanneer je hem uitlaat, ongestoord onder je rokje kijken.'
Ik besef dat deze opmerking te ver gaat, maar hij heeft in ieder geval de aandacht van het meisje getrokken. Ze begint te lachen, mij uit te lachen.
'Lach je me uit?' vraag ik.
'Natuurlijk,' zegt ze. Lieve meisjesstem.
'Ik ben nooit goed in openingszinnen.'
'Dat merk ik.'
'Dus dan zeg ik meestal maar meteen waar het op aankomt.'
'Waar komt het dan op aan?' Lichte onzekerheid in haar o zo schattige stem.
'Dat er sinds jaren niet meer zo'n ongelooflijk mooi meisje in mijn straat is geweest.'
'Slijmbal. Wie was het vorige mooie meisje dan?'
'Dat weet ik niet, en dat wil ik ook niet weten. Ik wil alleen weten of je vanavond wat te doen hebt.'
'Wat gaat jou dat aan?' zegt ze.
'Niets, maar anders dacht ik..'
Haar schattigheid is omgeslagen in een zeer aantrekkelijk soort boosheid:
'Anders dacht je, die neem ik mee naar huis, en als ik dan klaar met haar ben zet ik weer een streepje op mijn meisjespapiertje, zodat ik kan opscheppen met het aantal meisjes dat ik in bed heb gepraat.'
'Nee, dat dacht ik niet. Ik dacht eigenlijk dat jij mij naar je huis zou brengen, zodat jij een streepje neer kan zetten op je ongetwijfeld immense papiertje. Ik ben namelijk niet iemand die opschept over hoe ik meisjes in bed praat, want ik praat geen meisjes in bed.'
'Kom, Gerrit,' zegt ze tegen haar hond en ze loopt met forse passen weg.
Zelfs het tikken van haar schoenen op de stoep klinkt mooi.
|
|
Comments () :: Post A Comment! :: Permanent Link
|
|
About Me
« September 2010 »
| Mon | Tue | Wed | Thu | Fri | Sat | Sun | | | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |
| 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 |
| 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 |
| 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 |
| 27 | 28 | 29 | 30 | |
Indien beschikbaar
• RSS Feed
• Podcast
Friends
|